werkwoordschema worstelen
– zwak werkwoord (geen klinkerverandering in de vt)
– in het hele werkwoord voor en geen medeklinker van ’t kofschip
de vijf persoonsvormen:
tegenwoordige tijd (tt):
- ik worstel
- hij worstelt
- wij worstelen
verleden tijd (vt):
- ik, hij worstelde
- wij worstelden
NB: De gebiedende wijs is gelijk aan de ik-vorm tt: Worstel niet langer!
geen persoonsvorm
voltooid deelwoord:
- ik heb geworsteld
daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord:
- de geworstelde partijen
andere vormen:
- worstelend
- met verslaving worstelende personen
