verhuizen – 5 zinnen met het werkwoord van de week Welke werkwoordsvorm past in de zin? 1. Hij woonde eerst in een studentenflat, maar nu is hij … naar een eigen huurwoning. verhuisd verhuist Voltooid deelwoord; geen persoonsvorm, dus gewone spellingregels. Langer maken: verhuisd, want je hoort /verhuisde/. (Of met de regel van ’t kofschip: verhuizen – z geen medeklinker ’t kofschip.) meer uitleg werkwoordschema 2. Onze winkel … vandaag naar de overkant van de straat. Vanaf maandag bent u daar welkom! verhuisd verhuist Persoonsvorm tt, onderwerp hij (of te vervangen door hij): ik-vorm tt verhuis + t. (Hij-vorm tt: altijd ik-vorm tt + t, dus niet langer maken om te horen of je een d of een t schrijft.) meer uitleg werkwoordschema 3. Omdat mijn vader regelmatig voor zijn werk werd uitgezonden, … wij heel vaak. verhuisden verhuisten Persoonsvorm vt meervoud: ik-vorm tt verhuis + den. (zwak werkwoord verhuizen – z geen medeklinker ’t kofschip) meer uitleg werkwoordschema 4. Die spits is zo goed! Die … na dit seizoen vast naar een topclub! verhuisd verhuist Persoonsvorm tt, onderwerp hij (of te vervangen door hij): ik-vorm tt verhuis + t. (Hij-vorm tt: altijd ik-vorm tt + t, dus niet langer maken om te horen of je een d of een t schrijft.) meer uitleg werkwoordschema 5. Nee, die woont hier niet meer, die is … ! En nee, ik weet niet waarnaartoe. verhuisd verhuist Voltooid deelwoord; geen persoonsvorm, dus gewone spellingregels. Langer maken: verhuisd, want je hoort /verhuisde/. (Of met de regel van ’t kofschip: verhuizen – z geen medeklinker ’t kofschip.) meer uitleg werkwoordschema Uw score is opnieuw