werkwoordschema instorten
– zwak werkwoord (geen klinkerverandering in de vt)
– in het hele werkwoord voor en een medeklinker van ‘t kofschip
de vijf persoonsvormen:
tegenwoordige tijd:
- ik stort in
- hij stort in
- wij storten in
verleden tijd:
- ik, hij stortte in
- wij stortten in
geen persoonsvorm
voltooid deelwoord:
- ik ben ingestort
daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord:
- het ingestorte gebouw
andere vormen:
- instortend
- het instortende zandkasteel
