werkwoordschema oprichten
– zwak werkwoord (geen klinkerverandering in de vt)
– in het hele werkwoord voor en een medeklinker van ‘t kofschip
de vijf persoonsvormen:
tegenwoordige tijd (tt):
- ik richt op
- hij richt op
- wij richten op
verleden tijd (vt):
- ik, hij richtte op
- wij richtten op
NB: De gebiedende wijs is gelijk aan de ik-vorm tt: Richt dan zelf een club op!
geen persoonsvorm
voltooid deelwoord:
- ik heb opgericht
daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord:
- de opgerichte club
andere vormen:
- oprichtend
- de oprichtende vergadering
