werkwoordschema wandelen
– zwak werkwoord (geen klinkerverandering in de vt)
– in het hele werkwoord voor en geen medeklinker van ’t kofschip
de vijf persoonsvormen:
tegenwoordige tijd (tt):
- ik wandel
- hij wandelt
- wij wandelen
verleden tijd (vt):
- ik, hij wandelde
- wij wandelden
NB: De gebiedende wijs is gelijk aan de ik-vorm tt: Wandel met ons mee!
geen persoonsvorm
voltooid deelwoord:
- ik heb gewandeld
daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord:
- de gewandelde route
andere vormen:
- wandelend
- wandelende gezinnen
