werkwoordschema oefenen
– zwak werkwoord (geen klinkerverandering in de vt)
– in het hele werkwoord voor en geen medeklinker van ’t kofschip
de vijf persoonsvormen:
tegenwoordige tijd (tt):
- ik oefen
- hij oefent
- wij oefenen
verleden tijd (vt):
- ik, hij oefende
- wij oefenden
NB: De gebiedende wijs is gelijk aan de ik-vorm tt: Oefen dat thuis!
geen persoonsvorm
voltooid deelwoord:
- ik heb geoefend
daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord:
- de geoefende dansjes
andere vormen:
- oefenend
- de oefenende rockband
